Overig

Cees Nooteboom- De roeiers van Port Dauphin. Alle Afrikaanse reizen.
Amsterdam: De Bezige Bij, 2011.

Uitgeverij De Bezige Bij heeft in 2011 vele verhalen van Cees Nooteboom bijeen gebracht in een aantal prachtige uitgaven. De roeiers van Port Dauphin bevat alle reportages en gedichten over zijn Afrikaanse reizen. Van Marokko via Gambia tot Mauritius. Van 9 juli 1960 tot september 1975. De kaft van het boek is voorzien van een prachtige foto van vriend Daniël Koster, die mij het boek ook cadeau gaf. Prachtige verhalen, met prachtige Nooteboomiaanse zinnen. In de laatste bijdrage uit 2010 vraagt Nooteboom zich – ondanks de vele reizen – af of hij nu werkelijk in Afrika is geweest. Hij besluit dat niet het geval is. “Het gevoel dat ik heb is dat van een mot die op het licht is afgevlogen, een donker licht,de onmogelijke tegenstelling die aantrekt en angst aanjaagt.”

Ismail Kadare- De brug met de drie bogen.
Amsterdam: Van Gennep, 1992 (1e druk 1985)

Kadare is een Albanees schrijver die sinds midden jaren ’60 internationaal bekend is. Hij debuteerde in 1961 met de roman De generaal van het dode leger, dat in latere jaren in vele landen in vertaling verscheen en ook werd verfilmd. In bijna al zijn boeken gebruikt Kadare de historie van Albanië als context voor zijn romans. Meestal betreft het de Ottomaanse periode, die in Albanië van 1505 tot 1912 duurde. Met name de oude legendes hebben de interesse van de inmiddels 86-jarige schrijver. Zo ook in De brug met de drie bogen. In dit boek staat een dorpje in het zuiden van Albanië centraal. Het verhaal speelt zich af in het jaar 1377 en wordt verteld vanuit het perspectief van een monnik. Vreemdelingen krijgen van de plaatselijke graaf toestemming een stenen brug te bouwen over de verraderlijke rivier Oejane. Dit alles zeer tot ongenoegen van de exploitanten van de veerpont, die goed verdienen aan het overzetten van mensen en vee.  Tijdens de bouw gebeuren er voortdurend vreemde dingen; de voortgang van het project wordt keer op keer gehinderd door onverklaarbare ongelukken.
Op een ochtend blijkt tot afgrijzen en schrik van de meeste dorpelingen iemand te zijn ingemetseld in één van de brugpijlers: de mede-dorpeling en metselaar Murrasj Zenebisje. Het verhaal gaat dat het dezelfde metselaar betrof die ook was ingehuurd om telkens ‘s nachts schade aan te brengen – in opdracht van de veermannen – en dat zijn familie een grote financiële vergoeding heeft ontvangen. De gruwelijke daad heeft wel effect: in de periode daarna wordt de bouw van de brug voltooid.